Bij een amputatie gaat het om het afzetten van een deel van het
menselijk lichaam, bijvoorbeeld een teen, voet, been, vinger, hand,
of een deel ervan.
Redenen voor een amputatie kunnen verschillend zijn.
Toch komen ze in feite allemaal op hetzelfde neer: er is meestal
een zodanige weefselschade (beschadiging of versterf), dat het niet
amputeren ernstige gevolgen heeft voor het verdere leven.
Meestal betreft het patiënten met ernstige vaatproblemen, die
niet meer met een bloedvatoperatie te verhelpen zijn.
Bij ernstige weefselschade is de kans op een voortschrijdende
infectie erg groot, zeker bij patiënten die daarbij suikerziekte
hebben. Een amputatie kan dan de enige kans zijn om het leven te
behouden.
Ook kunnen ondraaglijke pijnklachten, veroorzaakt door een
ernstige zenuw- of vaatschade, aanleiding zijn om het betreffende
ledemaat te amputeren.
Bij een ongeval kan een zodanige weefselschade optreden, dat
slechts met een amputatie het leven gered kan worden. Ook
permanente zenuwschade door ongeval maakt soms een amputatie tot
een goede behandeling.
Een gevoelloze ledemaat kan soms de mobilisatie en revalidatie
belemmeren, waardoor een vroege amputatie in voorkomende gevallen
de start van de revalidatie en terugkeer in het dagelijks leven kan
bespoedigen.