Bloed bestaat uit verschillende bestanddelen, zoals rode cellen,
witte cellen, bloedplaatjes en bloedplasma. Vroeger was een
bloedtransfusie simpel het bloed van iemand anders toegediend
krijgen. Tegenwoordig wordt niet zozeer 'bloed' toegediend, maar
alleen die bestanddelen van het bloed die de patiënt nodig heeft.
Die worden ook wel bloedproducten genoemd. Welke bloedproducten een
patiënt krijgt, hangt af van de aandoening:
- rode bloedcellen om bij bloedarmoede het zuurstoftransport te
herstellen
- plasma bij tekort aan stollingsfactoren
- bloedplaatjes om bloedingen te voorkomen
Bloedtransfusies gebeuren met bloed van een donor. Dit bloed is in
Nederland heel veilig. Al het donorbloed wordt gecontroleerd op een
aantal ziekten.
Aangezien het belangrijk is dat een patiënt een bloedproduct
krijgt dat bij het eigen bloed "past", wordt vooraf bloed afgenomen
en door het transfusielaboratorium getest om de bloedgroep vast te
stellen en de eventuele aanwezigheid van antistoffen te meten.
Sommige mensen hebben namelijk afweerstoffen tegen bloedcellen van
anderen in hun bloed (zogenaamde antistoffen). Deze antistoffen
kunnen aanwezig zijn na een zwangerschap, een vroegere
bloedtransfusie of van nature voorkomen.