In vitro fertilisatie (IVF) betekent letterlijk: 'in glas
bevruchting' en heet ook wel reageerbuisbevruchting. Het is een
behandeling voor onvruchtbaarheid.
Om bevruchting te laten plaatsvinden, worden in een laboratorium
eicellen met zaadcellen samengebracht. Om de eicellen te
verkrijgen, worden de eierstokken gestimuleerd met hormonen.
Hierdoor groeien de follikels (eiblaasjes), die de eicellen
bevatten. Een arts haalt, via de schede, de vloeistof met de
eicellen uit deze follikels. Dit gebeurt met behulp van een
punctie. De zaadcellen worden uit het sperma gehaald.
Embryo
Na samensmelting van de eicel en zaadcel, dat in een
laboratorium gebeurt, ontstaat een embryo. Deze wordt in de
baarmoeder geplaatst. Als het embryo zich innestelt, ontstaat een
zwangerschap. Dit gebeurt, afhankelijk van de leeftijd van de
vrouw, in circa 25 tot 30 procent van de IVF-behandelingen.
De uiteindelijke kans op de geboorte van een kind is gemiddeld 20
procent per poging.
IVF bestaat uit vier fasen en neemt ongeveer 4 weken in
beslag:
- De rijping van de eicellen: de stimulatie
- Het aanprikken van de follikels: de punctie
- De laboratoriumfase: de bevruchting
- Het in de baarmoeder plaatsen van de bevruchte eicellen
(embryo's): de plaatsing (embryotransfer, ET)