Artrodese betekent het vastzetten van een gewricht. De
beschadigde gewrichtsvlakken en het resterende kraakbeen worden
weggenomen en de botuiteinden worden aan elkaar vastgezet met
behulp van schroeven.
Door het vastzetten van het onderste spronggewricht groeien het
sprongbeen en het hielbeen aan elkaar vast. Het gevolg is dat de
beweeglijkheid van het gewricht wordt beperkt. Meestal is deze
beweeglijkheid vóór de operatie al beperkt door de beschadigde
gewrichtsvlakken.
De meest voorkomende reden voor een onderste spronggewricht
artrodese is pijn in het gewricht, al dan niet met een
bewegingsbeperking.
De orthopeed maakt een huidsnede van ongeveer 7 cm aan de
buitenzijkant van de voet. Hij ruimt het kraakbeen van het onderste
spronggewricht uit, en plaatst dan ter fixatie (versteviging) 1 of
2 schroeven vanuit de hiel naar het sprongbeen (de talus).
De operatie duurt ongeveer 60 minuten.
Omdat de boteinden aan elkaar moeten groeien, mag na de operatie
gedurende 4 weken niet op het geopereerde been worden gestaan. Na
die 4 weken gaat er voor nog 4 weken loopgips om het been.