De afkorting ECG staat voor ElectroCardioGram, ook wel
hartfilmpje genoemd. Met behulp van dit onderzoek kan de cardioloog
zien of er bijvoorbeeld een hartinfarct is geweest, of de hartspier
voldoende zuurstof krijgt en of er sprake is van
ritmestoornissen.
Tijdens het onderzoek ligt de patiënt aangesloten aan het
ECG-apparaat, dat de elektrische activiteit van het hart meet. De
doktersassistente plakt elektroden op de borst, armen en benen.
Deze elektroden zijn verbonden met het ECG-apparaat, dat het
hartritme via een diagram weergeeft en op papier uitdraait.
De cardioloog bespreekt direct tijdens het bezoek de uitslag van
de ECG met de patiënt. Als de huisarts het ECG heeft aangevraagd
dan krijgt de patiënt het gemaakte ECG mee voor de huisarts. De
huisarts bespreekt in dat geval de uitslag van het ECG met de
patiënt.