KNO-problemen bij Downsyndroom

Bij kinderen met het syndroom van Down zijn de neus en neus-keelholte vaak kleiner en nauwer. De tong is vaak groot en wat slapper waardoor deze de neiging heeft om naar achteren te zakken, waardoor de luchtweg geblokkeerd kan raken. Ook kan de luchtpijp net onder de stembanden nauwer zijn. Dit kan allerlei KNO-problemen geven, zoals een een verstopte neus, ontstoken keel- of neusamandel, oorontstekingen, maar ook obstructie van de neus door vergroting van de neusamandel.

Symptomen

Symptomen hiervan zijn bijvoorbeeld nachtelijke onrust, snurken en slaapapneus' (onderbreking van de slaap door een stokkende ademhaling). Daarbij wordt ook de verbinding met het oor vaak afgesloten, waardoor vocht zich achter het trommelvlies ophoopt met slechthorendheid als gevolg (de zogeheten 'lijmoortjes'). Het knippen van de neusamandel en het plaatsen van buisjes zijn dan ook vaak noodzakelijk. Nadien wordt het gehoor opnieuw getest.

Gehoor en oren

Ook bij het gehoor en de oren kunnen specifieke problemen voorkomen, zoals gehoorverlies of een smalle gehoorgang, waardoor misschien trommelvliesbuisjes nodig zijn.