Operatie aan de voet (onderste spronggewricht artrodese)

Artrodese betekent het vastzetten van een gewricht. De beschadigde gewrichtsvlakken en het resterende kraakbeen worden weggenomen en de botuiteinden worden aan elkaar vastgezet met behulp van schroeven.

Door het vastzetten van het onderste spronggewricht groeien het sprongbeen en het hielbeen aan elkaar vast. Het gevolg is dat de beweeglijkheid van het gewricht wordt beperkt. Meestal is deze beweeglijkheid vóór de operatie al beperkt door de beschadigde gewrichtsvlakken.

De meest voorkomende reden voor een onderste spronggewricht artrodese is pijn in het gewricht, al dan niet met een bewegingsbeperking.

De behandeling

De orthopeed maakt een huidsnede van ongeveer 7 cm aan de buitenzijkant van de voet. Hij ruimt het kraakbeen van het onderste spronggewricht uit, en plaatst dan ter fixatie (versteviging) 1 of 2 schroeven vanuit de hiel naar het sprongbeen (de talus).

De operatie duurt ongeveer 60 minuten. Het is een dagopname, soms is een korte opname van 2 dagen nodig.

Omdat de boteinden aan elkaar moeten groeien, mag na de operatie gedurende 4 weken niet op het geopereerde been worden gestaan. Na die 4 weken gaat er voor nog 4 weken loopgips om het been.

Nabehandeling

De 1e dag na de operatie wordt een röntgenfoto gemaakt, die wordt beoordeeld door de arts. Verder zit uw been vanaf de voet en enkel tot net onder de knie in het gips.
De eerste 2 weken is het belangrijk om veel te rusten met het been omhoog. Dit kan bijvoorbeeld met het been dwars op de bank of de voet op een stoel met een kussen eronder. De voet mag niet belast worden, u loopt daarom met krukken. Elke dag krijgt u een injectie met Fraxiparine ter voorkoming van trombose (gedurende de gehele gipsperiode, normaal gesproken 3 maanden). Lees voor meer informatie de nabehandelingsfolder OSG-artrodese.

Gerelateerde specialismen