Interventieradiologie

Interventieradiologie is het verrichten van minimaal invasieve onderzoeken met behulp van beeldvormende technieken zoals echografie, röntgendoorlichting en computer tomografie. Tijdens of na het onderzoek kan de radioloog besluiten om de eventueel aangetoonde afwijking te behandelen. Dit heet een interventie.

Deze behandelingen zijn te verdelen in vasculaire of vaatbehandelingen en niet-vasculaire behandelingen.

Vasculaire behandelingen

  • Percutane Transluminale Angioplastiek (PTA), de bekendste vaatbehandeling, wordt ook dotterbehandeling genoemd. Bij deze behandeling wordt een bloedvat van binnenuit doorgankelijk gemaakt met behulp van een ballonkatheter.
  • Het openmaken van hersenvaten in het acute stadium van een beroerte.
  • Het samen met de vaatchirurg van binnenuit inbrengen van een vaatprothese (stentgraft) in geval van verwijdingen van buik of borstholte slagaders.
  • Het afsluiten van bloedvaten in geval van bloeding door ontsteking of ongeval of de bloedtoevoer stoppen naar een tumor.

Niet-vasculaire behandelingen

  • Het draineren van nieren, galblazen, galwegen en vochtophopingen (vochtcollecties) in geval van ontsteking en infectie.
  • Het plaatsen van stents in afgesloten urinewegen en galwegen.
  • Het inbrengen van voedingskatheters in maag of dunne darm.
  • Het samen met de leverchirurg van buitenaf aanprikken en coaguleren van levertumoren.
  • Het door cement vastzetten (cementeren) en stabiliseren van ingezakte wervellichamen (Vertebroplastiek)

Verdoving

De meeste van deze behandelingen worden onder lokale verdoving, al dan niet in combinatie met pijnstillers via een infuus, door de interventieradioloog verricht. Sommige behandelingen vereisen algehele narcose of worden gezamenlijk met andere specialisten zoals een vaatchirurg verricht.